Het ontstaan van het veen

De Gelderse Vallei, waar Veenendaal in ligt, is gevormd in de laatste twee ijstijden.

De Gelderse Vallei

Stuwwal

Het dal wordt in het zuiden begrensd door de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug en in het noorden door drie kleinere stuwwallen, te weten de Emmikhuizerberg, het Grote Veenloo (het Vendel) en de hoogten rond de Oude Kerk (het Kleine Veenloo). De afstand tussen de Heuvelrug en de noordelijke stuwwallen bedraagt zo'n 3 kilometer. Het diepste punt van de Vallei ligt op 4,9 meter boven NAP.

Dekzandlandschap

Nadat het ijs zich teruggetrokken had, restte er een uitgebreid dekzandlandschap. Door verstuiving kreeg het landschap meer reliëf. Tijdens het Weichselien begon de zee- en grondwaterspiegel te stijgen, waardoor in de lager gelegen gebieden veenvorming optrad als gevolg van een slechte waterafvoer. De veengebieden in de Gelderse Vallei bestonden voor het grootste gedeelte uit hoogveen. De bekendste en belangrijkste waren de Gelderse en Stichtse venen, ook wel Gelderse en Rhenense venen genoemd, die werden aangetroffen in de streek tussen Renswoude en Ede. Enkele van de belangrijkste delen hiervan zijn bekend geworden onder de namen Manense venen, het Ederveen, het Doesburgse veen en het Rhenense veen. In dit laatste gebied zou Veenendaal ontstaan.

Natuurlijke hoogten

Temidden van deze voormalige veengronden ligt een aantal natuurlijke hoogten, bestaande uit zand: de Emmikhuizerberg, het Groot Venlo, het Klein Venlo, alsmede een aantal lagere dekzandruggen. De naam Venlo, eertijds ook wel als Veenlo aangeduid, wijst op het bestaan van bossen (loo = bos). Door het kappen en afbranden van deze bossen in de late Middeleeuwen, ontstonden op deze plekken heidevelden. Het meest zuidelijke deel van het grondgebied van de gemeente maakt deel uit van de randzone van de Utrechtse Heuvelrug en ligt op een kleine 10 meter boven NAP.