Vervening en turfwinning

De Gelderse Vallei, waar Veenendaal in ligt, is gevormd in de laatste twee ijstijden.  Het dal wordt in het zuiden begrensd door de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug en in het noorden door drie kleinere stuwwallen, te weten de Emmikhuizerberg, het Grote Veenloo (het Vendel) en de hoogten rond de Oude Kerk (het Kleine Veenloo). De afstand tussen de Heuvelrug en de noordelijke stuwwallen bedraagt zo'n 3 kilometer. Het diepste punt van de Vallei ligt op 4,9 meter boven NAP.

Dekzandlandschap

Nadat het ijs zich teruggetrokken had, restte er een uitgebreid dekzandlandschap. Door verstuiving kreeg het landschap meer reliëf. Tijdens het Weichselien begon de zee- en grondwaterspiegel te stijgen, waardoor in de lager gelegen gebieden veenvorming optrad als gevolg van een slechte waterafvoer. De veengebieden in de Gelderse Vallei bestonden voor het grootste gedeelte uit hoogveen. De bekendste en belangrijkste waren de Gelderse en Stichtse venen, ook wel Gelderse en Rhenense venen genoemd, die werden aangetroffen in de streek tussen Renswoude en Ede. Enkele van de belangrijkste delen hiervan zijn bekend geworden onder de namen Manense venen, het Ederveen, het Doesburgse veen en het Rhenense veen. In dit laatste gebied zou Veenendaal ontstaan.

Zegel van het Veenraadschap

Natuurlijke hoogten

Temidden van deze voormalige veengronden ligt een aantal natuurlijke hoogten, bestaande uit zand: de Emmikhuizerberg, het Groot Venlo, het Klein Venlo, alsmede een aantal lagere dekzandruggen. De naam Venlo, eertijds ook wel als Veenlo aangeduid, wijst op het bestaan van bossen (loo = bos). Door het kappen en afbranden van deze bossen in de late Middeleeuwen, ontstonden op deze plekken heidevelden. Het meest zuidelijke deel van het grondgebied van de gemeente maakt deel uit van de randzone van de Utrechtse Heuvelrug en ligt op een kleine 10 meter boven NAP.

Ontstaan in 1546?

Veenendaal is een betrekkelijk late nederzetting waarvan het ontstaan gewoonlijk wordt gesteld op het jaar 1546. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mag men aannemen dat het gebied al veel langer werd bewoond. Zeker geldt dat voor de vijftiende eeuw. Tussen 1473 en 1481 liet bisschop David van Bourgondië de Grift graven. Voor een deel maakte hij daarbij gebruik van de Kromme Eem. De Grift diende zowel voor de afwatering van de veenbodem als voor het vervoer van de turf. Lang heeft de Bisschop Davidsgrift echter niet gefunctioneerd. Door de voortdurende oorlogen tussen Stichtsen en Geldersen stagneerde de vervening van het gebied. De Grift verzandde en werd aldus onbevaarbaar.

Verdere exploitatie veengronden

Nadat Karel V in 1543 ook het hertogdom Gelre binnen zijn machtssfeer had gebracht - Utrecht stond al sinds 1528 onder keizerlijk gezag - kon de exploitatie van de venen opnieuw ter hand worden genomen. De commissie die in opdracht van de keizer de mogelijkheden daartoe had onderzocht, adviseerde de oude Bisschop Davidsgrift te laten herstellen en door te trekken tot in de venen die keizerlijk bezit waren. Krachtens het octrooi dat Karel V in 1546 verleende, werd aldus op kosten van de geërfden in de Rhenense en Gelderse venen de oude Grift verbeterd en bovendien in noordoostelijke richting uitgebreid naar de Eder venen (de Boveneindse Grift, nu Prins Bernhardlaan/Stationsstraat).

Watergangen

Tegelijkertijd werd hij in nagenoeg westelijke richting ('t Zand) doorgetrokken, waarbij tevens een tak in zuidelijke richting werd aangelegd, de Kerkewijk. De Grift vertakte zich dus in een vork, de zogenaamde Zwaluwstaart (thans Zwaaiplein geheten). De dwarssloten of wijken werden alle schuin op de hoofdwatergangen aangegraven en niet, zoals in zo veel ontginningseenheden in het Utrechtse en Zuid-Hollandse veenweidegebied, loodrecht daarop. De reden hiervoor wordt wel gezocht in de veronderstelling dat de turfschepen een dergelijke flauwe bocht gemakkelijker konden nemen. Het gevolg van deze ontginningsmethode is een slagenlandschap met een verkavelingspatroon dat in Stichts Veenendaal een verloop heeft van zuidwest naar noordoost en in Gelders Veenendaal van oost naar west. De slagen hebben in het algemeen een lengte van circa l kilometer. Vrij bijzonder is dat hier overgangen van veen naar zand voorkomen binnen de slagen. Elders werd meestal een andere verkaveling toegepast als de grondsoort veranderde. Dergelijke overgangen zijn duidelijk waarneembaar in de hoeveelheid en aard van de kavelbeplanting, de dichtheid van het slotensysteem, de hoogteligging en het bodemgebruik.

Traces

Opvallend is dat het tracé van de voormalige Boveneindse Grift (de huidige Prins Bernhardlaan) dwars door de perceelsgrenzen loopt. Hieruit mag geconcludeerd worden dat de verkaveling van het Witte Hoever veen, de Eder Witte venen en het Zwarte Hoever veen in de tijd dat de Boveneindse Grift werd gegraven, al was voltooid. Vermoedelijk diende de Veltgensgraaf als ontginningsbasis voor de genoemde gebieden.

Gilbert van Schoonbeke

In 1549 kreeg de Antwerpse koopman en burgemeester Gilbert van Schoonbeke van Karel V toestemming om voor eigen rekening een grift te graven en op eigen risico een aantal - deels keizerlijke - veengebieden af te graven. De keizerlijke vergunning betrof een vaart die vanaf Amersfoort werd gegraven - met behulp van een gedeelte van de Lunterse beek - tot in de Amerongse en Ginkelse venen om van daaruit via het keizerlijk veen nabij Prattenburg uit te komen bij het Grote Veenloo. Het gedeelte van de keizerlijke domeinen dat Van Schoonbeke mocht exploiteren, omvatte onder meer een lot van 90 morgen (1 morgen = 0,85 hectare) ten noordoosten van Prattenburg. In 1554 kreeg hij bovendien toestemming om van de Grift gebruik te maken, waarna laatstgenoemde werd doorgetrokken tot aan het punt waar hij thans in noordoostelijke richting afbuigt.

Van Schoonbeke was niet de enige concessiehouder in de regio. De namen Ruisseveen, Schutterveen, Commandeursveen, Brouckhagensche loth en andere wijzen op andere grondbezitters en verveners.

Einde van de turfwinning

Na 1650 liep de turfwinning als middel van bestaan terug doordat de veengebieden langzaam maar zeker uitgeput raakten. Eind negentiende eeuw viel het doek voor de turfwinning. Dit blijkt uit een vergelijking tussen de beroepsbevolking van (Stichts) Veenendaal in de jaren 1748 en 1808. Bedroeg het aantal arbeiders in de veenderij in 1748 nog zo'n 56, in 1808 was dat teruggelopen tot vrijwel nul. Een andere statistiek uit 1843 vermeldt weer een aantal van 78 volwassenen, zodat er weliswaar sprake was van een forse toename, maar relatief betrof het een klein deel van de totale beroepsbevolking, namelijk nog geen 10%.