Toen de turf opraakte

Veenendaal dankt zijn ontstaan aan de aanwezigheid van het veen. Turfwinning is eeuwenlang het hoofdmiddel van bestaan geweest. Aanvankelijk gebeurde dat door het eenvoudig afgraven van het veen. Later moest men overschakelen op de zogenaamde natte methode: baggeren en laten drogen. Een heel wat moeizamer methode.

Wol

Daarnaast hielden de Veenendalers zich bezig met het wassen, kammen en spinnen van wol. Het boerenbedrijf, meestal een combinatie van akkerbouw, schapenteelt en veenderij, was over het algemeen niet groot. Als gevolg van de vervening en de daardoor optredende daling van het maaiveld, werd het steeds meer in de richting van de hogere gronden verdreven. Een tijdgenoot kon in 1772 dan ook constateren dat 'het land rondom het dorp (...), ruim een uur gaans ver, bijna geheel (is) uitgeveend. Men wil, dat het land hieromstreeks, voor deezen, wel acht voet (ongeveer 2,5 meter) hoger geweest is. Thans staat het bijna gelijk met het water, reden waarom men hier, even als in Holland, het veen, al sedert vele jaren, niet dan gebaggerd heeft.'

Einde van de turfwinning

Na 1650 liep de turfwinning als middel van bestaan terug doordat de veengebieden langzaam maar zeker uitgeput raakten. Eind negentiende eeuw viel het doek voor de turfwinning. Dit blijkt uit een vergelijking tussen de beroepsbevolking van (Stichts) Veenendaal in de jaren 1748 en 1808. Bedroeg het aantal arbeiders in de veenderij in 1748 nog zo'n 56, in 1808 was dat teruggelopen tot vrijwel nul. Een andere statistiek uit 1843 vermeldt weer een aantal van 78 volwassenen, zodat er weliswaar sprake was van een forse toename, maar relatief betrof het een klein deel van de totale beroepsbevolking, namelijk nog geen 10%.

Huisnijverheid

De wolnijverheid laat daarentegen een geheel andere ontwikkeling zien. Vonden in deze tak van huisindustrie in 1748 nog 'slechts' 245 mensen emplooi (circa 47%), in 1808 was dat aantal gestegen tot 381 personen of bijna 70% van de beroepsbevolking. In 1815 bedroeg het aantal wolkammerijen en sajetmakerijen 80 en waren er 19 kleine linnen- en wolweverijen. Bij elkaar goed voor de verwerking van 100 ton schapenwol per jaar! Deze huisnijverheid breidde zich allengs uit en nog in de eerste helft van de negentiende eeuw ontstonden hieruit de eerste kleine fabrieken. In 1843 waren dat er vier, waar in totaal 135 mensen werkzaam waren.

Textielnijverheid

Net als dat voor de veenderij gold, was ook de afname van het aantal (keuter)boeren - zij het in mindere mate - omgekeerd evenredig aan de explosieve groei van de textielnijverheid. Vergelijken we de cijfers voor de agrarische sector in de jaren 1748 en 1808, dan valt er een daling te constateren van 80 naar 32 agrariƫrs. Afgezet tegen de totale beroepsbevolking betekende dat een vermindering van zo'n 15% tot een kleine 6%. In de loop van de negentiende eeuw zou dit percentage nog verder afnemen.

Vooral aan de rand van de Heuvelrug en bij de Emmikhuizerberg was er sprake van een intensieve schapenteelt. Het landschap was destijds bezaaid met schaapskooien. Naarmate meer boeren overschakelden op melkvee, verdwenen de schaapskooien uit het landschapsbeeld. Nu is er geen spoor meer te bekennen van deze bron van bestaan.