Stedenbouwkundige ontwikkelingen

Door de turfwinning had Veenendaal het typische aanzicht van een veenkolonie gekregen. Kanalen en vaarten waren prominent aanwezig. Omstreeks het midden van de negentiende eeuw telde Veenendaal 517 huizen en 4700 inwoners, waarvan er zo'n 1700 in het Gelderse en 3000 in het Utrechtse deel woonden. De structuur van het dorp was in wezen nog dezelfde als bij het ontstaan in de tweede helft van de zestiende eeuw.

Hoofdstructuur

Nog steeds vormde de Markt het dorpscentrum en was er sprake van lintbebouwing aan weerskanten van de hoofdwatergangen. De demping van een gedeelte van de Kerkewijk en van de Hoofdstraat in 1845 betekende weliswaar een ingrijpende wijziging van het straatprofiel en een verarming van het dorpsbeeld, maar vormde geen wezenlijke aantasting van de hoofdstructuur.

Spoorweg

Dat kan niet gezegd worden van het in 1866 gegraven Omleidingskanaal en de twintig jaar later aangelegde spoorlijn Amersfoort-Kesteren (onderdeel van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij Amsterdam-Nijmegen-Duitsland). Beide infrastructurele werken sneden dwars door bestaande verkavelingspatronen en door de Kerkewijk, maar lieten de hoofdstructuur en de dorpskern verder onaangetast. Hetzelfde geldt voor de 'Rhijnspoorweg' en de rijksweg (A12) Utrecht-Arnhem, die ver ten noorden van de dorpskern liepen door het gebied dat toen nog bij de gemeente Renswoude hoorde.

Groei

Door de expansie van de industrie groeide de bevolking. Enkele cijfers mogen dit illustreren. Groeide Stichts Veenendaal in de periode 1850-1920 van 2950 tot 6593 inwoners - meer dan een verdubbeling in 70 jaar -, in de periode 1920-1955 nam het aantal Stichtse Veenendalers toe van 6593 tot 17.164 ofwel een bevolkingsuitbreiding van zo'n 10.571 inwoners in 35 jaar! Een dergelijke bevolkingsexplosie had uiteraard invloed op de structuur en het beeld van het dorp. Nieuwe straten werden aangelegd en tal van woningen gebouwd. In eerste instantie in de onmiddellijke omgeving van de fabriekscomplexen, later ook op meer verwijderde locaties. Zo ontstonden de Engelsche Stad, vier blokken arbeiderswoningen in het derde kwart van de negentiende eeuw door de VSW voor haar arbeiders op eigen terrein gesticht, en de arbeiderswoningen langs de Wilhelminastraat, aan de Zandstraat, de Van de Pollstraat (1878, zijstraat van de Achterkerkstraat, bestaat niet meer), de Molenstraat, de Valleistraat, de Gortstraat, de Beatrixstraat en de Parallelweg. In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw werden aan deze rij - deels in opdracht van nieuw gestichte corporaties - talloze straten toegevoegd. Voorbeelden hiervan zijn de woningbouwcomplexen aan de Davidsstraat, Patrimoniumlaan, Talmastraat, Talmaplein, Dr. Kuyperstraat, Da Costaplein en Keucheniusstraat.

Bebouwing

Ook de aard van de bebouwing begon zich in die periode langzaam maar zeker te wijzigen. De eerste fabrieken ontstonden op de hogere plekken in de directe omgeving van de oude dorpskern. De omvang en de maatvoering van dit nieuwe type gebouwen stonden in schril contrast met de kleinschalige woonhuizen en keuterijen die eeuwenlang de hoofdmoot van de bebouwing vormden. Alleen de kerk aan de Markt en beide korenmolens konden zich qua schaal nog enigszins met de fabriekskastelen meten.

De huisvesting van de arbeidersbevolking leidde niet slechts tot nieuwe straten maar maakte eveneens de ontwikkeling van nieuwe bouwtypen noodzakelijk. Het antwoord op dit vraagstuk werd gevonden in de blokken of stroken van verschillende - aanvankelijk zeer kleine, later wat ruimere - woningen onder één dak. Deze lange jammers, zoals ze in de volksmond al snel werden genoemd, bepaalden het aangezicht van menige straat.

Welvaart

De ontwikkeling van Veenendaal tot industrieplaats leidde tot grotere welvaart voor althans een deel van de bevolking en dat bracht weer de opkomst van nieuwe voorzieningen en luxe winkels met zich mee. Vooral de Markt, de Hoofdstraat en in mindere mate de Hoogstraat profiteerden hiervan. In luttele jaren ondergingen zij een complete metamorfose, waarbij de oorspronkelijke bebouwing van woonhuizen plaats maakte voor winkel-woonhuizen. Het zijn vooral de lokale architecten B. van Kreel, J. de Geit en G.C. van Stuyvenberg geweest die het Veenendaal van rond en kort na de vorige eeuwwisseling hebben vormgegeven.

Demping watergangen

De nieuwe elite trok zich intussen meer en meer uit de dorpskern terug om zich in haar riante villa's aan de (zuidelijke) Kerkewijk te vestigen. Deze ontwikkeling bereikte haar hoogtepunt in de jaren twintig en dertig, toen in korte tijd aan deze laan verschillende villa's verrezen. De opkomst van het gemotoriseerde verkeer in het eerste kwart van de vorige eeuw had onder meer tot gevolg dat men de watergangen in de dorpskern steeds meer als een hindernis begon te zien. In de jaren twintig werd een begin gemaakt met het dempen van de huidige Hoogstraat en Zandstraat, het Panhuis, de Valleistraat, Prins Bernhardlaan en Stationsstraat. Het resultaat was een patroon van opvallend brede straten in verhouding tot de flankerende dorpse bebouwing.