Grootschalige turfwinning

Uit rekeningen blijkt dat het veen in het zuidelijk deel van het huidige Veenendaal al in 1429 werd ontgonnen. In het laatste kwart van die eeuw werd een poging ondernomen de vervening systematisch ter hand te nemen.

Ontstaan in 1546?

Veenendaal is een betrekkelijk late nederzetting waarvan het ontstaan gewoonlijk wordt gesteld op het jaar 1546. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mag men aannemen dat het gebied al veel langer werd bewoond. Zeker geldt dat voor de vijftiende eeuw. Tussen 1473 en 1481 liet bisschop David van Bourgondië de Grift graven. Voor een deel maakte hij daarbij gebruik van de Kromme Eem. De Grift diende zowel voor de afwatering van de veenbodem als voor het vervoer van de turf. Lang heeft de Bisschop Davidsgrift echter niet gefunctioneerd. Door de voortdurende oorlogen tussen Stichtsen en Geldersen stagneerde de vervening van het gebied. De Grift verzandde en werd aldus onbevaarbaar.

Verdere exploitatie veengronden

Nadat Karel V in 1543 ook het hertogdom Gelre binnen zijn machtssfeer had gebracht - Utrecht stond al sinds 1528 onder keizerlijk gezag - kon de exploitatie van de venen opnieuw ter hand worden genomen. De commissie die in opdracht van de keizer de mogelijkheden daartoe had onderzocht, adviseerde de oude Bisschop Davidsgrift te laten herstellen en door te trekken tot in de venen die keizerlijk bezit waren. Krachtens het octrooi dat Karel V in 1545 verleende, werd aldus op kosten van de geërfden in de Rhenense en Gelderse venen de oude Grift verbeterd en bovendien in noordoostelijke richting uitgebreid naar de Eder venen (de Boveneindse Grift, nu Prins Bernhardlaan/Stationsstraat).

Watergangen

Tegelijkertijd werd hij in nagenoeg westelijke richting ('t Zand) doorgetrokken, waarbij tevens een tak in zuidelijke richting werd aangelegd, de Kerkewijk. De Grift vertakte zich dus in een vork, de zogenaamde Zwaluwstaart (thans Zwaaiplein geheten).De dwarssloten of wijken werden alle schuin op de hoofdwatergangen aangegraven en niet, zoals in zo veel ontginningseenheden in het Utrechtse en Zuid-Hollandse veenweidegebied, loodrecht daarop. De reden hiervoor wordt wel gezocht in de veronderstelling dat de turfschepen een dergelijke flauwe bocht gemakkelijker konden nemen. Het gevolg van deze ontginningsmethode is een slagenlandschap met een verkavelingspatroon dat in Stichts Veenendaal een verloop heeft van zuidwest naar noordoost en in Gelders Veenendaal van oost naar west. De slagen hebben in het algemeen een lengte van circa l kilometer. Vrij bijzonder is dat hier overgangen van veen naar zand voorkomen binnen de slagen. Elders werd meestal een andere verkaveling toegepast als de grondsoort veranderde. Dergelijke overgangen zijn duidelijk waarneembaar in de hoeveelheid en aard van de kavelbeplanting, de dichtheid van het slotensysteem, de hoogteligging en het bodemgebruik.

Tracés

Opvallend is dat het tracé van de voormalige Boveneindse Grift (de huidige Prins Bernhardlaan) dwars door de perceelsgrenzen loopt. Hieruit mag geconcludeerd worden dat de verkaveling van het Witte Hoever veen, de Eder Witte venen en het Zwarte Hoever veen in de tijd dat de Boveneindse Grift werd gegraven, al was voltooid. Vermoedelijk diende de Veltgensgraaf als ontginningsbasis voor de genoemde gebieden.

Gilbert van Schoonbeke

In 1549 kreeg de Antwerpse koopman en burgemeester Gilbert van Schoonbeke van Karel V toestemming om voor eigen rekening een grift te graven en op eigen risico een aantal - deels keizerlijke - veengebieden af te graven. De keizerlijke vergunning betrof een vaart die vanaf Amersfoort werd gegraven - met behulp van een gedeelte van de Lunterse beek - tot in de Amerongse en Ginkelse venen om van daaruit via het keizerlijk veen nabij Prattenburg uit te komen bij het Grote Veenloo. Het gedeelte van de keizerlijke domeinen dat Van Schoonbeke mocht exploiteren, omvatte onder meer een lot van 90 morgen (1 morgen = 0,85 hectare) ten noordoosten van Prattenburg. In 1554 kreeg hij bovendien toestemming om van de Grift gebruik te maken, waarna laatstgenoemde werd doorgetrokken tot aan het punt waar hij thans in noordoostelijke richting afbuigt.

Van Schoonbeke was niet de enige concessiehouder in de regio. De namen Ruisseveen, Schutterveen, Commandeursveen, Brouckhagensche loth en andere wijzen op andere grondbezitters en verveners.